Ergotherapie: Sensorische Integratie
Sensorisch betekent zintuiglijk. Iedereen wordt geboren met
een aantal zintuigen waarmee men informatie kan opnemen vanuit
de omgeving: de oren (horen), ogen (zien), neus en mond (reuk
en smaak), de huid (tastzin), het evenwichtsysteem en de informatie
uit de spieren, pezen en gewrichten. De informatie die via
je verschillende zintuigen waargenomen wordt, wordt via ons
zenuwstelsel geleid naar verschillende plaatsen in onze hersenen.
Daar wordt de informatie verwerkt: er wordt betekenis aan
gegeven en er volgt een (motorische/ gedragsmatige) reactie.
Dit proces van opnemen, verwerken, analyseren en koppelen
heet Sensorische Integratie. Het uiteindelijke doel is: adequaat
reageren op de zintuiglijke informatie.
Wanneer de sensorische integratie bij een kind niet goed
verloop, kan dit problemen opleveren in de ontwikkeling. Problemen
die kunnen voorkomen zijn:
- problemen met de spraak en articulatie
- concentratieproblemen
- problemen met het zelfvertrouwen
- problemen met de fijne motoriek; strikken, knopen, schrijven,
knippen
- problemen met de planning en organisatie van activiteiten
etc.
Vermoedt u dat uw kind problemen heeft met de sensorische
integratie, neemt u dan contact
op met uw ergotherapeut. Een gesprek en een vragenlijst kunnen
mogelijk wat meer duidelijkheid geven.
De zintuigen
De oren, het auditief systeem, geven informatie over
hoe hard een geluid is, welk geluid je precies hoort, waar
het geluid vandaan komt en of het geluid hoog of laag is.
Als dit systeem goed werkt dan reageer je op je naam wanneer
je wordt geroepen, je schrikt niet wanneer er buiten iemand
de stoep veegt en je houdt je handen voor je oren wanneer
het geluid te hard wordt. Komen de signalen te sterk of juist
te zwak binnen, dan zal je ook anders op geluiden kunnen reageren.
Sommige kinderen reageren bijna niet op geluid, terwijl ze
niet doof of slechthorend zijn. Anderen zoeken geluiden juist
extra op of maken zelf heel veel lawaai. Sommige kinderen
vermijden drukte of worden in lawaaierige ruimten of worden
in zo'n ruimte snel boos.
De ogen, het visueel systeem, geven informatie over
licht en donker, kleur, afstand etc. Als dit systeem goed
werkt, reageer je wanneer er iemand op je afkomt, vermijdt
je het felle zonlicht en reageer je niet op mensen die langs
het raam lopen. Komen signalen te sterk of juist te zwak binnen
dan kan je anders op visuele prikkels reageren. Sommige kinderen
kiezen heel bewust voor bepaalde kleuren, anderen worden erg
bewegelijk van een drukke omgeving (bijvoorbeeld een klaslokaal).
De tastzin, het tactiel systeem, geeft informatie
over waar je wordt aangeraakt, hoe hard je wordt aangeraakt,
waarmee je aangeraakt wordt, of de aanraking pijn doet. Wanneer
dit systeem goed werkt, dan trek je je hand terug wanneer
je te dicht bij vuur komt, je laat toe dat iemand gel in je
haren smeert en je vindt het niet erg om een knuffel van je
ouders te krijgen. Bij sommige kinderen komen de signalen
niet goed binnen. Sommige kinderen vermijden aanraken, spelen
met vingerverf of hebben een voorkeur voor bepaalde kleding/
stoffen. Er zijn kinderen die erg druk worden of snel boos
worden wanneer ze worden aangeraakt. Andere kinderen willen
voortdurend alles en iedereen om zich heen aanraken.
Het evenwichtsysteem, het vestibulair systeem geeft
informatie over de stand van het hoofd, de versnelling waarmee
je beweegt, het draaien en het omhoog of omlaag bewegen. Werkt
dit systeem goed dan zullen schootspelletjes bijvoorbeeld
geen probleem zijn (schuitje varen, schommelen). Sommige kinderen
reageren juist angstig voor bewegingen of hoogtes. Andere
kinderen zoeken juist extreem veel beweging op: wiebelen op
de stoel, voortdurend draaien of op de kop hangen, hoog klimmen
zonder gevaar te zien.
Signalen uit de spieren, pezen en gewrichten, het proprioceptief
systeem, geven informatie over hoe wij ons lichaam en onze
ledematen aansturen, bewust en onbewust. Zo kunnen we bijvoorbeeld
recht op een stoel blijven zitten, stappen we over een tak
heen in het bos, eten we soep en knopen we onze blouse.
Wanneer dit systeem niet goed werkt, dan uit zich dat vaak
in onhandigheid, snel vallen, aannemen van ongebruikelijke
houdingen, slordig eten, moeite met schrijven en knutselen
etc.
ga
terug naar ergotherapie
lees
verder over ergotherapie bij kinderen
lees
verder over ergotherapie bij volwassenen
lees
verder over hulpmiddelen en voorzieningen
|