Fysiotherapie Daelenbroeck Roermond  

Ergotherapie

Balie van Fysiotherapie Roermond


Onze specialisaties
Arbeidsfysiotherapie
Bekkenbodemtherapie volwassenen
Bekkenbodemtherapie kinderen
Fysiotherapie bij bekkenpijn
Haptonomie
Kinderfysiotherapie
Lymfedrainage (ad modum Vodder)
Manuele therapie
Psychosomatische fysiotherapie
Sportfysiotherapie
Trainingstherapie bij COPD
 
Ook in onze praktijk
Podotherapie Daelenbroeck
Ergotherapie Daelenbroeck
ELK-team

U bevindt zich hier: home > wat doen wij > ergotherapie

Ergotherapie: Sensorische Integratie

Sensorisch betekent zintuiglijk. Iedereen wordt geboren met een aantal zintuigen waarmee men informatie kan opnemen vanuit de omgeving: de oren (horen), ogen (zien), neus en mond (reuk en smaak), de huid (tastzin), het evenwichtsysteem en de informatie uit de spieren, pezen en gewrichten. De informatie die via je verschillende zintuigen waargenomen wordt, wordt via ons zenuwstelsel geleid naar verschillende plaatsen in onze hersenen. Daar wordt de informatie verwerkt: er wordt betekenis aan gegeven en er volgt een (motorische/ gedragsmatige) reactie.
Dit proces van opnemen, verwerken, analyseren en koppelen heet Sensorische Integratie. Het uiteindelijke doel is: adequaat reageren op de zintuiglijke informatie.

Wanneer de sensorische integratie bij een kind niet goed verloop, kan dit problemen opleveren in de ontwikkeling. Problemen die kunnen voorkomen zijn:

  • problemen met de spraak en articulatie
  • concentratieproblemen
  • problemen met het zelfvertrouwen
  • problemen met de fijne motoriek; strikken, knopen, schrijven, knippen
  • problemen met de planning en organisatie van activiteiten
    etc.

Vermoedt u dat uw kind problemen heeft met de sensorische integratie, neemt u dan contact op met uw ergotherapeut. Een gesprek en een vragenlijst kunnen mogelijk wat meer duidelijkheid geven.

De zintuigen
De oren, het auditief systeem, geven informatie over hoe hard een geluid is, welk geluid je precies hoort, waar het geluid vandaan komt en of het geluid hoog of laag is. Als dit systeem goed werkt dan reageer je op je naam wanneer je wordt geroepen, je schrikt niet wanneer er buiten iemand de stoep veegt en je houdt je handen voor je oren wanneer het geluid te hard wordt. Komen de signalen te sterk of juist te zwak binnen, dan zal je ook anders op geluiden kunnen reageren. Sommige kinderen reageren bijna niet op geluid, terwijl ze niet doof of slechthorend zijn. Anderen zoeken geluiden juist extra op of maken zelf heel veel lawaai. Sommige kinderen vermijden drukte of worden in lawaaierige ruimten of worden in zo'n ruimte snel boos.

De ogen, het visueel systeem, geven informatie over licht en donker, kleur, afstand etc. Als dit systeem goed werkt, reageer je wanneer er iemand op je afkomt, vermijdt je het felle zonlicht en reageer je niet op mensen die langs het raam lopen. Komen signalen te sterk of juist te zwak binnen dan kan je anders op visuele prikkels reageren. Sommige kinderen kiezen heel bewust voor bepaalde kleuren, anderen worden erg bewegelijk van een drukke omgeving (bijvoorbeeld een klaslokaal).

De tastzin, het tactiel systeem, geeft informatie over waar je wordt aangeraakt, hoe hard je wordt aangeraakt, waarmee je aangeraakt wordt, of de aanraking pijn doet. Wanneer dit systeem goed werkt, dan trek je je hand terug wanneer je te dicht bij vuur komt, je laat toe dat iemand gel in je haren smeert en je vindt het niet erg om een knuffel van je ouders te krijgen. Bij sommige kinderen komen de signalen niet goed binnen. Sommige kinderen vermijden aanraken, spelen met vingerverf of hebben een voorkeur voor bepaalde kleding/ stoffen. Er zijn kinderen die erg druk worden of snel boos worden wanneer ze worden aangeraakt. Andere kinderen willen voortdurend alles en iedereen om zich heen aanraken.

Het evenwichtsysteem, het vestibulair systeem geeft informatie over de stand van het hoofd, de versnelling waarmee je beweegt, het draaien en het omhoog of omlaag bewegen. Werkt dit systeem goed dan zullen schootspelletjes bijvoorbeeld geen probleem zijn (schuitje varen, schommelen). Sommige kinderen reageren juist angstig voor bewegingen of hoogtes. Andere kinderen zoeken juist extreem veel beweging op: wiebelen op de stoel, voortdurend draaien of op de kop hangen, hoog klimmen zonder gevaar te zien.

Signalen uit de spieren, pezen en gewrichten, het proprioceptief systeem, geven informatie over hoe wij ons lichaam en onze ledematen aansturen, bewust en onbewust. Zo kunnen we bijvoorbeeld recht op een stoel blijven zitten, stappen we over een tak heen in het bos, eten we soep en knopen we onze blouse.

Wanneer dit systeem niet goed werkt, dan uit zich dat vaak in onhandigheid, snel vallen, aannemen van ongebruikelijke houdingen, slordig eten, moeite met schrijven en knutselen etc.

ga terug naar ergotherapie
lees verder over ergotherapie bij kinderen
lees verder over ergotherapie bij volwassenen
lees verder over hulpmiddelen en voorzieningen